At-Tur( الطور)
Original,King Fahad Quran Complex(الأصلي,مجمع الملك فهد القرآن)
show/hide
Salomo Keyzer (Salomo Keyzer )
show/hide
بِسمِ اللَّهِ الرَّحمٰنِ الرَّحيمِ وَالطّورِ(1)
Ik zweer bij den berg Sinaï.(1)
وَكِتٰبٍ مَسطورٍ(2)
En bij het boek, geschreven(2)
فى رَقٍّ مَنشورٍ(3)
Op eene afgewikkelde rol.(3)
وَالبَيتِ المَعمورِ(4)
En bij het bezochte huis,(4)
وَالسَّقفِ المَرفوعِ(5)
En bij het verheven dak des hemels.(5)
وَالبَحرِ المَسجورِ(6)
En bij den zwellenden oceaan.(6)
إِنَّ عَذابَ رَبِّكَ لَوٰقِعٌ(7)
Waarlijk de straf van uwen Heer zal zekerlijk nederdalen.(7)
ما لَهُ مِن دافِعٍ(8)
Niemand zal haar kunnen terughouden.(8)
يَومَ تَمورُ السَّماءُ مَورًا(9)
Op dien dag zullen de hemelen schudden en waggelen.(9)
وَتَسيرُ الجِبالُ سَيرًا(10)
En de bergen zullen wandelen en weggaan.(10)
فَوَيلٌ يَومَئِذٍ لِلمُكَذِّبينَ(11)
En wee op dien dag over hen, die Gods gezanten van bedrog beschuldigen.(11)
الَّذينَ هُم فى خَوضٍ يَلعَبونَ(12)
Die zich vermaken door zich in ijdele twisten te mengen.(12)
يَومَ يُدَعّونَ إِلىٰ نارِ جَهَنَّمَ دَعًّا(13)
Op dien dag zullen zij naar het hellevuur gedreven en er in geworpen worden.(13)
هٰذِهِ النّارُ الَّتى كُنتُم بِها تُكَذِّبونَ(14)
En men zal tot hen zeggen: Dit is het vuur, dat gij als een verdichtsel hebt geloochend.(14)
أَفَسِحرٌ هٰذا أَم أَنتُم لا تُبصِرونَ(15)
Is dit eene beguichelende verbeelding? Of ziet gij niet?(15)
اصلَوها فَاصبِروا أَو لا تَصبِروا سَواءٌ عَلَيكُم ۖ إِنَّما تُجزَونَ ما كُنتُم تَعمَلونَ(16)
Treedt er binnen, om verschroeid te worden. Hetzij gij uwe marteling geduldig of ongeduldig verdraagt, het zal voor u gelijk wezen: gij zult zekerlijk de vergelding ontvangen, van hetgeen gij hebt verricht.(16)
إِنَّ المُتَّقينَ فى جَنّٰتٍ وَنَعيمٍ(17)
Maar de vromen zullen te midden van tuinen en vermaken wonen.(17)
فٰكِهينَ بِما ءاتىٰهُم رَبُّهُم وَوَقىٰهُم رَبُّهُم عَذابَ الجَحيمِ(18)
Zich verlustigende, in hetgeen hun Heer hun zal hebben gegeven; en hun Heer zal hen van de pijnen der hel bevrijden.(18)
كُلوا وَاشرَبوا هَنيـًٔا بِما كُنتُم تَعمَلونَ(19)
En men zal tot hen zeggen: Verzadigt u met de zegeningen, welke u zijn aangeboden, wegens hetgeen gij hebt verricht.(19)
مُتَّكِـٔينَ عَلىٰ سُرُرٍ مَصفوفَةٍ ۖ وَزَوَّجنٰهُم بِحورٍ عينٍ(20)
Leunende op in orde geschikte zetels. Wij zullen hen maagden met groote, zwarte oogen doen huwen.(20)
وَالَّذينَ ءامَنوا وَاتَّبَعَتهُم ذُرِّيَّتُهُم بِإيمٰنٍ أَلحَقنا بِهِم ذُرِّيَّتَهُم وَما أَلَتنٰهُم مِن عَمَلِهِم مِن شَيءٍ ۚ كُلُّ امرِئٍ بِما كَسَبَ رَهينٌ(21)
En bij hen, die gelooven, en wier nakomelingschap hen in het geloof volgt, zullen wij hunne nakomelingschap in het paradijs voegen. Wij zullen niets van de verdienste hunner werken verminderen. (Ieder mensch strekt tot gijzelaar, voor hetgeen hij zal hebben verricht).(21)
وَأَمدَدنٰهُم بِفٰكِهَةٍ وَلَحمٍ مِمّا يَشتَهونَ(22)
En wij zullen hun vruchten in overvloed geven, en vleesch van de soorten welke zij zullen begeeren.(22)
يَتَنٰزَعونَ فيها كَأسًا لا لَغوٌ فيها وَلا تَأثيمٌ(23)
Daar zulllen zij elkander een beker aanbieden, waardoor geen ijdel gesprek, of zonde zal worden uitgelokt.(23)
۞ وَيَطوفُ عَلَيهِم غِلمانٌ لَهُم كَأَنَّهُم لُؤلُؤٌ مَكنونٌ(24)
En kinderen, aangewezen om hem te bedienen, zullen rondgaan, schoon als paarlen in hare schelpen verborgen.(24)
وَأَقبَلَ بَعضُهُم عَلىٰ بَعضٍ يَتَساءَلونَ(25)
En zij zullen elkander naderen en wederkeerig vragen doen.(25)
قالوا إِنّا كُنّا قَبلُ فى أَهلِنا مُشفِقينَ(26)
En zij zullen zeggen: Waarlijk wij verkeerden vroeger, te midden van ons gezin, in groote vrees, nopens onzen staat na den dood.(26)
فَمَنَّ اللَّهُ عَلَينا وَوَقىٰنا عَذابَ السَّمومِ(27)
Maar God is ons genadig geweest, en heeft ons van de pijn van het brandende vuur verlost.(27)
إِنّا كُنّا مِن قَبلُ نَدعوهُ ۖ إِنَّهُ هُوَ البَرُّ الرَّحيمُ(28)
Wij riepen hem vroeger aan, en hij is goed en barmhartig.(28)
فَذَكِّر فَما أَنتَ بِنِعمَتِ رَبِّكَ بِكاهِنٍ وَلا مَجنونٍ(29)
Derhalve, o profeet! vermaan gij uw volk. Gij zijt door de genade van uwen Heer noch een waarzegger, noch een bezetene.(29)
أَم يَقولونَ شاعِرٌ نَتَرَبَّصُ بِهِ رَيبَ المَنونِ(30)
Zeggen zij: Hij is een dichter; wij verwachten, dat hij door een of anderen tegenspoed zal worden getroffen.(30)
قُل تَرَبَّصوا فَإِنّى مَعَكُم مِنَ المُتَرَبِّصينَ(31)
Zeg: Wacht gij mijn ongeluk? Waarlijk, ik wacht, met u, den tijd uwer verdelging.(31)
أَم تَأمُرُهُم أَحلٰمُهُم بِهٰذا ۚ أَم هُم قَومٌ طاغونَ(32)
Doet hun onontwikkeld verstand hun dit zeggen, of zijn zij verdorven zondaren?(32)
أَم يَقولونَ تَقَوَّلَهُ ۚ بَل لا يُؤمِنونَ(33)
Zeggen zij: Hij heeft den Koran verzonnen? Waarlijk, zij gelooven niet.(33)
فَليَأتوا بِحَديثٍ مِثلِهِ إِن كانوا صٰدِقينَ(34)
Laat hen een gesprek toonen gelijk dit, indien zij de waarheid spreken.(34)
أَم خُلِقوا مِن غَيرِ شَيءٍ أَم هُمُ الخٰلِقونَ(35)
Werden zij door niets geschapen, of waren zij hunne eigene scheppers?(35)
أَم خَلَقُوا السَّمٰوٰتِ وَالأَرضَ ۚ بَل لا يوقِنونَ(36)
Schiepen zij de hemelen en de aarde? Waarlijk, zij zijn niet vast overtuigd, dat God hen heeft geschapen.(36)
أَم عِندَهُم خَزائِنُ رَبِّكَ أَم هُمُ المُصَۣيطِرونَ(37)
Zijn de schatten van hunnen Heer in hunne handen? Zijn zij de opperste uitdeelers van alle dingen?(37)
أَم لَهُم سُلَّمٌ يَستَمِعونَ فيهِ ۖ فَليَأتِ مُستَمِعُهُم بِسُلطٰنٍ مُبينٍ(38)
Hebben zij eene ladder, waardoor zij naar den hemel kunnen opstijgen, en de gesprekken der engelen hooren? Laat dus een, die deze heeft gehoord, een duidelijk bewijs daarvoor aanwijzen.(38)
أَم لَهُ البَنٰتُ وَلَكُمُ البَنونَ(39)
Heeft God dochters en hebt gij zonen?(39)
أَم تَسـَٔلُهُم أَجرًا فَهُم مِن مَغرَمٍ مُثقَلونَ(40)
Vraagt gij hun eene belooning voor uwe prediking? Maar zij zijn met schulden beladen.(40)
أَم عِندَهُمُ الغَيبُ فَهُم يَكتُبونَ(41)
Zijn de geheimen der toekomst hun bekend, en schrijven zij die van de tafel van Gods besluiten over?(41)
أَم يُريدونَ كَيدًا ۖ فَالَّذينَ كَفَروا هُمُ المَكيدونَ(42)
Trachten zij u een valstrik te spannen? Maar de ongeloovigen zijn het, die verschalkt zullen worden.(42)
أَم لَهُم إِلٰهٌ غَيرُ اللَّهِ ۚ سُبحٰنَ اللَّهِ عَمّا يُشرِكونَ(43)
Hebben zij een god buiten God? God zij verre verheven boven de afgoden, welke zij met Hem vereenigen!(43)
وَإِن يَرَوا كِسفًا مِنَ السَّماءِ ساقِطًا يَقولوا سَحابٌ مَركومٌ(44)
Indien zij een deel van den hemel op zich zagen nedervallen. Zouden zij zeggen: het is slechts eene dikke wolk.(44)
فَذَرهُم حَتّىٰ يُلٰقوا يَومَهُمُ الَّذى فيهِ يُصعَقونَ(45)
Daarom verlaat hen, tot zij aan hunnen dag zullen zijn gekomen, waarop zij, uit vrees, in zwijm zullen vallen.(45)
يَومَ لا يُغنى عَنهُم كَيدُهُم شَيـًٔا وَلا هُم يُنصَرونَ(46)
Een dag, waarop hunne doortrapte verzinsels hun volstrekt niet zullen baten en zij niet ondersteund zullen worden.(46)
وَإِنَّ لِلَّذينَ ظَلَموا عَذابًا دونَ ذٰلِكَ وَلٰكِنَّ أَكثَرَهُم لا يَعلَمونَ(47)
En zij, die onrechtvaardig handelen, zullen zekerlijk eene andere straf buiten deze ondergaan; maar het meerendeel hunner begrijpt niet.(47)
وَاصبِر لِحُكمِ رَبِّكَ فَإِنَّكَ بِأَعيُنِنا ۖ وَسَبِّح بِحَمدِ رَبِّكَ حينَ تَقومُ(48)
Wacht geduldig het oordeel van uwen Heer nopens hen af; want gij zijt onder onze oogen. Verkondig den lof van uwen Heer als gij opstaat.(48)
وَمِنَ الَّيلِ فَسَبِّحهُ وَإِدبٰرَ النُّجومِ(49)
En prijs hem des nachts en als de sterren beginnen te verdwijnen.(49)