Ash-Shu'araa( الشعراء)
Original,King Fahad Quran Complex(الأصلي,مجمع الملك فهد القرآن)
show/hide
Salomo Keyzer (Salomo Keyzer )
show/hide
بِسمِ اللَّهِ الرَّحمٰنِ الرَّحيمِ طسم(1)
T. S. M.(1)
تِلكَ ءايٰتُ الكِتٰبِ المُبينِ(2)
Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.(2)
لَعَلَّكَ بٰخِعٌ نَفسَكَ أَلّا يَكونوا مُؤمِنينَ(3)
Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners van Mekka niet geloovig willen worden.(3)
إِن نَشَأ نُنَزِّل عَلَيهِم مِنَ السَّماءِ ءايَةً فَظَلَّت أَعنٰقُهُم لَها خٰضِعينَ(4)
Indien het ons behaagde, zouden wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden, waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen.(4)
وَما يَأتيهِم مِن ذِكرٍ مِنَ الرَّحمٰنِ مُحدَثٍ إِلّا كانوا عَنهُ مُعرِضينَ(5)
Maar er komt van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich niet afwenden.(5)
فَقَد كَذَّبوا فَسَيَأتيهِم أَنبٰؤُا۟ ما كانوا بِهِ يَستَهزِءونَ(6)
En zij hebben deze van valschheid beschuldigd; maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen spotten.(6)
أَوَلَم يَرَوا إِلَى الأَرضِ كَم أَنبَتنا فيها مِن كُلِّ زَوجٍ كَريمٍ(7)
Hebben zij de aarde niet beschouwd, en gezien hoe veel verschillende planten, van allerlei edele soorten wij daaraan doen ontspruiten?(7)
إِنَّ فى ذٰلِكَ لَءايَةً ۖ وَما كانَ أَكثَرُهُم مُؤمِنينَ(8)
Waarlijk, hierin is een teeken; maar het grootste deel hunner zijn ongeloovigen.(8)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ العَزيزُ الرَّحيمُ(9)
Waarlijk, uw Heer is de machtige, de barmhartige God.(9)
وَإِذ نادىٰ رَبُّكَ موسىٰ أَنِ ائتِ القَومَ الظّٰلِمينَ(10)
Herdenk, toen uw Heer Mozes riep, zeggende: Ga tot het onrechtvaardige volk:(10)
قَومَ فِرعَونَ ۚ أَلا يَتَّقونَ(11)
Het volk van Pharao. Zullen zij mij niet vreezen?(11)
قالَ رَبِّ إِنّى أَخافُ أَن يُكَذِّبونِ(12)
Mozes antwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees, dat zij mij van logen zullen beschuldigen.(12)
وَيَضيقُ صَدرى وَلا يَنطَلِقُ لِسانى فَأَرسِل إِلىٰ هٰرونَ(13)
En dat mijne borst vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken; wijs Aäron dus aan om mijn helper te wezen.(13)
وَلَهُم عَلَىَّ ذَنبٌ فَأَخافُ أَن يَقتُلونِ(14)
Ook kunnen zij mij eene misdaad tegenwerpen, en ik vrees dat zij mij zullen dooden.(14)
قالَ كَلّا ۖ فَاذهَبا بِـٔايٰتِنا ۖ إِنّا مَعَكُم مُستَمِعونَ(15)
God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er tusschen u en hen geschiedt.(15)
فَأتِيا فِرعَونَ فَقولا إِنّا رَسولُ رَبِّ العٰلَمينَ(16)
Gaat dus tot Pharao en zeg: Waarlijk, wij zijn de gezant van den Heer van alle schepselen.(16)
أَن أَرسِل مَعَنا بَنى إِسرٰءيلَ(17)
Zend de kinderen Israëls met ons weg.(17)
قالَ أَلَم نُرَبِّكَ فينا وَليدًا وَلَبِثتَ فينا مِن عُمُرِكَ سِنينَ(18)
En toen zij hunne boodschap hadden overgebracht, antwoordde Pharao: Hebben wij u niet onder ons opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond?(18)
وَفَعَلتَ فَعلَتَكَ الَّتى فَعَلتَ وَأَنتَ مِنَ الكٰفِرينَ(19)
Gij hebt de daad bedreven, welke gij bedreven hebt; en gij zijt een ondankbare.(19)
قالَ فَعَلتُها إِذًا وَأَنا۠ مِنَ الضّالّينَ(20)
Mozes hernam: Inderdaad, ik deed het, en ik was een van hen die dwaalden.(20)
فَفَرَرتُ مِنكُم لَمّا خِفتُكُم فَوَهَبَ لى رَبّى حُكمًا وَجَعَلَنى مِنَ المُرسَلينَ(21)
Daarom ontvluchtte ik u, dewijl ik u vreesde; maar mijn Heer heeft mij wijsheid geschonken en mij tot een zijner gezanten aangewezen.(21)
وَتِلكَ نِعمَةٌ تَمُنُّها عَلَىَّ أَن عَبَّدتَ بَنى إِسرٰءيلَ(22)
En is de gunst, welke gij mij hebt geschonken, dat gij de kinderen Israëls tot slaven maaktet?(22)
قالَ فِرعَونُ وَما رَبُّ العٰلَمينَ(23)
Pharao zeide: En wie is dan de Heer van alle schepselen?(23)
قالَ رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَالأَرضِ وَما بَينَهُما ۖ إِن كُنتُم موقِنينَ(24)
Mozes antwoordde: de Heer van alle hemel en aarde en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.(24)
قالَ لِمَن حَولَهُ أَلا تَستَمِعونَ(25)
Pharao zeide tot degenen, die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet?(25)
قالَ رَبُّكُم وَرَبُّ ءابائِكُمُ الأَوَّلينَ(26)
Mozes zeide: Uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.(26)
قالَ إِنَّ رَسولَكُمُ الَّذى أُرسِلَ إِلَيكُم لَمَجنونٌ(27)
Pharao zeide tot hen die tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten.(27)
قالَ رَبُّ المَشرِقِ وَالمَغرِبِ وَما بَينَهُما ۖ إِن كُنتُم تَعقِلونَ(28)
Mozes zeide: de Heer van het Oosten en van het Westen en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.(28)
قالَ لَئِنِ اتَّخَذتَ إِلٰهًا غَيرى لَأَجعَلَنَّكَ مِنَ المَسجونينَ(29)
Pharao zeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen God naast mij kiest, zal ik u gelijk doen wezen aan hen die gevangen zijn.(29)
قالَ أَوَلَو جِئتُكَ بِشَيءٍ مُبينٍ(30)
Mozes antwoordde: Wat! niettegenstaande ik met een overtuigend wonder tot u kom?(30)
قالَ فَأتِ بِهِ إِن كُنتَ مِنَ الصّٰدِقينَ(31)
Pharao hernam: Toon het dan, indien gij de waarheid spreekt.(31)
فَأَلقىٰ عَصاهُ فَإِذا هِىَ ثُعبانٌ مُبينٌ(32)
En hij wierp zijn staf neder, en ziet deze werd eene zichtbare slang.(32)
وَنَزَعَ يَدَهُ فَإِذا هِىَ بَيضاءُ لِلنّٰظِرينَ(33)
En hij trok zijne hand uit zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers,(33)
قالَ لِلمَلَإِ حَولَهُ إِنَّ هٰذا لَسٰحِرٌ عَليمٌ(34)
Pharao zeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze man is een behendige toovenaar.(34)
يُريدُ أَن يُخرِجَكُم مِن أَرضِكُم بِسِحرِهِ فَماذا تَأمُرونَ(35)
Hij tracht u door zijne tooverij het bezit van u land te ontrooven: wat denkt gij dus te doen?(35)
قالوا أَرجِه وَأَخاهُ وَابعَث فِى المَدائِنِ حٰشِرينَ(36)
Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen.(36)
يَأتوكَ بِكُلِّ سَحّارٍ عَليمٍ(37)
En tot u brengen alle behendige toovenaren.(37)
فَجُمِعَ السَّحَرَةُ لِميقٰتِ يَومٍ مَعلومٍ(38)
Zoo werden de toovenaren op een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd.(38)
وَقيلَ لِلنّاسِ هَل أَنتُم مُجتَمِعونَ(39)
En tot het volk werd gezegd: Zijt gij bijeenvergaderd?(39)
لَعَلَّنا نَتَّبِعُ السَّحَرَةَ إِن كانوا هُمُ الغٰلِبينَ(40)
Ja, antwoordde het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien zij de overwinning behalen.(40)
فَلَمّا جاءَ السَّحَرَةُ قالوا لِفِرعَونَ أَئِنَّ لَنا لَأَجرًا إِن كُنّا نَحنُ الغٰلِبينَ(41)
Toen de toovenaars gekomen waren, zeiden zij tot Pharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de overwinning behalen?(41)
قالَ نَعَم وَإِنَّكُم إِذًا لَمِنَ المُقَرَّبينَ(42)
Hij antwoordde: Ja, en gij zult mijn persoon mogen naderen.(42)
قالَ لَهُم موسىٰ أَلقوا ما أَنتُم مُلقونَ(43)
Mozes zeide tot hen: Werpt neder wat gij neder te werpen hebt.(43)
فَأَلقَوا حِبالَهُم وَعِصِيَّهُم وَقالوا بِعِزَّةِ فِرعَونَ إِنّا لَنَحنُ الغٰلِبونَ(44)
Daarop wierpen zij hunne koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht van Pharao zullen wij de overwinnaars zijn.(44)
فَأَلقىٰ موسىٰ عَصاهُ فَإِذا هِىَ تَلقَفُ ما يَأفِكونَ(45)
En Mozes wierp zijn staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden uitgedacht.(45)
فَأُلقِىَ السَّحَرَةُ سٰجِدينَ(46)
Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder(46)
قالوا ءامَنّا بِرَبِّ العٰلَمينَ(47)
En zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen.(47)
رَبِّ موسىٰ وَهٰرونَ(48)
De Heer van Mozes en Aäron.(48)
قالَ ءامَنتُم لَهُ قَبلَ أَن ءاذَنَ لَكُم ۖ إِنَّهُ لَكَبيرُكُمُ الَّذى عَلَّمَكُمُ السِّحرَ فَلَسَوفَ تَعلَمونَ ۚ لَأُقَطِّعَنَّ أَيدِيَكُم وَأَرجُلَكُم مِن خِلٰفٍ وَلَأُصَلِّبَنَّكُم أَجمَعينَ(49)
Pharao zeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd, voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de tooverij heeft geleerd; maar later zult gij zeker mijne kracht kennen. Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen.(49)
قالوا لا ضَيرَ ۖ إِنّا إِلىٰ رَبِّنا مُنقَلِبونَ(50)
Zij antwoorden: Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer terugkeeren.(50)
إِنّا نَطمَعُ أَن يَغفِرَ لَنا رَبُّنا خَطٰيٰنا أَن كُنّا أَوَّلَ المُؤمِنينَ(51)
Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven, ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben.(51)
۞ وَأَوحَينا إِلىٰ موسىٰ أَن أَسرِ بِعِبادى إِنَّكُم مُتَّبَعونَ(52)
En wij spraken door openbaring tot Mozes, zeggende: Trek voort met mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden.(52)
فَأَرسَلَ فِرعَونُ فِى المَدائِنِ حٰشِرينَ(53)
En Pharao zond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen(53)
إِنَّ هٰؤُلاءِ لَشِرذِمَةٌ قَليلونَ(54)
Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit.(54)
وَإِنَّهُم لَنا لَغائِظونَ(55)
En zij zijn verwoed op ons.(55)
وَإِنّا لَجَميعٌ حٰذِرونَ(56)
Maar wij vormen eene welvoorziene menigte.(56)
فَأَخرَجنٰهُم مِن جَنّٰتٍ وَعُيونٍ(57)
Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne fonteinen,(57)
وَكُنوزٍ وَمَقامٍ كَريمٍ(58)
Hunne schatten en heerlijke woningen verlaten.(58)
كَذٰلِكَ وَأَورَثنٰها بَنى إِسرٰءيلَ(59)
Zoo deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven.(59)
فَأَتبَعوهُم مُشرِقينَ(60)
En zij vervolgden hen bij het opgaan der zon.(60)
فَلَمّا تَرٰءَا الجَمعانِ قالَ أَصحٰبُ موسىٰ إِنّا لَمُدرَكونَ(61)
En toen de beide legers in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers van Mozes: Wij zullen zekerlijk worden overwonnen.(61)
قالَ كَلّا ۖ إِنَّ مَعِىَ رَبّى سَيَهدينِ(62)
Mozes antwoordde: Volstrekt niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden.(62)
فَأَوحَينا إِلىٰ موسىٰ أَنِ اضرِب بِعَصاكَ البَحرَ ۖ فَانفَلَقَ فَكانَ كُلُّ فِرقٍ كَالطَّودِ العَظيمِ(63)
En wij bevalen Mozes door openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg.(63)
وَأَزلَفنا ثَمَّ الءاخَرينَ(64)
En wij lieten de anderen naderen.(64)
وَأَنجَينا موسىٰ وَمَن مَعَهُ أَجمَعينَ(65)
En wij bevrijdden Mozes en allen die met hem waren.(65)
ثُمَّ أَغرَقنَا الءاخَرينَ(66)
Daarna verdronken wij de anderen.(66)
إِنَّ فى ذٰلِكَ لَءايَةً ۖ وَما كانَ أَكثَرُهُم مُؤمِنينَ(67)
Waarlijk daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden niet.(67)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ العَزيزُ الرَّحيمُ(68)
Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige.(68)
وَاتلُ عَلَيهِم نَبَأَ إِبرٰهيمَ(69)
En herinner hun de geschiedenis van Abraham.(69)
إِذ قالَ لِأَبيهِ وَقَومِهِ ما تَعبُدونَ(70)
Toen hij tot zijnen vader en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij?(70)
قالوا نَعبُدُ أَصنامًا فَنَظَلُّ لَها عٰكِفينَ(71)
Zij antwoordden: Wij aanbidden afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid.(71)
قالَ هَل يَسمَعونَكُم إِذ تَدعونَ(72)
Abraham zeide: Hooren zij u als gij hen aanroept?(72)
أَو يَنفَعونَكُم أَو يَضُرّونَ(73)
Of bevoordeelen, noch deren zij u?(73)
قالوا بَل وَجَدنا ءاباءَنا كَذٰلِكَ يَفعَلونَ(74)
Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze vaderen hetzelfde deden.(74)
قالَ أَفَرَءَيتُم ما كُنتُم تَعبُدونَ(75)
Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij aanbidt.(75)
أَنتُم وَءاباؤُكُمُ الأَقدَمونَ(76)
En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden.(76)
فَإِنَّهُم عَدُوٌّ لى إِلّا رَبَّ العٰلَمينَ(77)
Zijn mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen.(77)
الَّذى خَلَقَنى فَهُوَ يَهدينِ(78)
Die mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt.(78)
وَالَّذى هُوَ يُطعِمُنى وَيَسقينِ(79)
En die mij geeft te eten en te drinken;(79)
وَإِذا مَرِضتُ فَهُوَ يَشفينِ(80)
En die mij geneest als ik ziek ben;(80)
وَالَّذى يُميتُنى ثُمَّ يُحيينِ(81)
En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen.(81)
وَالَّذى أَطمَعُ أَن يَغفِرَ لى خَطيـَٔتى يَومَ الدّينِ(82)
En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des oordeels zal vergeven.(82)
رَبِّ هَب لى حُكمًا وَأَلحِقنى بِالصّٰلِحينَ(83)
O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij met de rechtvaardigen.(83)
وَاجعَل لى لِسانَ صِدقٍ فِى الءاخِرينَ(84)
En geef, dat nog de laatste nakomelingschap met eer van mij spreke;(84)
وَاجعَلنى مِن وَرَثَةِ جَنَّةِ النَّعيمِ(85)
En maak mij tot een erfgenaam van den tuin der heerlijkheid;(85)
وَاغفِر لِأَبى إِنَّهُ كانَ مِنَ الضّالّينَ(86)
En vergeef mijn vader die tot de afdwalenden heeft behoord.(86)
وَلا تُخزِنى يَومَ يُبعَثونَ(87)
En bedek mij niet met schande op den dag der opstanding;(87)
يَومَ لا يَنفَعُ مالٌ وَلا بَنونَ(88)
Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn.(88)
إِلّا مَن أَتَى اللَّهَ بِقَلبٍ سَليمٍ(89)
Behalve voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen;(89)
وَأُزلِفَتِ الجَنَّةُ لِلمُتَّقينَ(90)
Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden.(90)
وَبُرِّزَتِ الجَحيمُ لِلغاوينَ(91)
En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;(91)
وَقيلَ لَهُم أَينَ ما كُنتُم تَعبُدونَ(92)
En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden,(92)
مِن دونِ اللَّهِ هَل يَنصُرونَكُم أَو يَنتَصِرونَ(93)
Welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden?(93)
فَكُبكِبوا فيها هُم وَالغاوۥنَ(94)
En zij zullen in de hel geworpen worden; zoowel zij, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid,(94)
وَجُنودُ إِبليسَ أَجمَعونَ(95)
En het geheele heir van Eblis.(95)
قالوا وَهُم فيها يَختَصِمونَ(96)
De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende:(96)
تَاللَّهِ إِن كُنّا لَفى ضَلٰلٍ مُبينٍ(97)
Bij God, wij verkeerden in eene duidelijke dwaling.(97)
إِذ نُسَوّيكُم بِرَبِّ العٰلَمينَ(98)
Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden.(98)
وَما أَضَلَّنا إِلَّا المُجرِمونَ(99)
De zondaren alleen hebben ons verleid.(99)
فَما لَنا مِن شٰفِعينَ(100)
Thans hebben wij geene tusschentreders.(100)
وَلا صَديقٍ حَميمٍ(101)
Noch eenigen vriend die voor ons zorgt. i(101)
فَلَو أَنَّ لَنا كَرَّةً فَنَكونَ مِنَ المُؤمِنينَ(102)
Indien het ons veroorloofd ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij zekerlijk ware geloovigen worden.(102)
إِنَّ فى ذٰلِكَ لَءايَةً ۖ وَما كانَ أَكثَرُهُم مُؤمِنينَ(103)
Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet.(103)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ العَزيزُ الرَّحيمُ(104)
Uw Heer is de machtige, de barmhartige.(104)
كَذَّبَت قَومُ نوحٍ المُرسَلينَ(105)
Het volk van Noach beschuldigde Gods zendingen van bedrog.(105)
إِذ قالَ لَهُم أَخوهُم نوحٌ أَلا تَتَّقونَ(106)
Toen hun broeder Noach tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?(106)
إِنّى لَكُم رَسولٌ أَمينٌ(107)
Waarlijk, ik ben een geloofbare boodschapper voor u.(107)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطيعونِ(108)
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.(108)
وَما أَسـَٔلُكُم عَلَيهِ مِن أَجرٍ ۖ إِن أَجرِىَ إِلّا عَلىٰ رَبِّ العٰلَمينَ(109)
Ik vraag geene belooning van u voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.(109)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطيعونِ(110)
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.(110)
۞ قالوا أَنُؤمِنُ لَكَ وَاتَّبَعَكَ الأَرذَلونَ(111)
Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven, die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt?(111)
قالَ وَما عِلمى بِما كانوا يَعمَلونَ(112)
Noach zeide: Ik heb geene kennis van hetgeen zij deden.(112)
إِن حِسابُهُم إِلّا عَلىٰ رَبّى ۖ لَو تَشعُرونَ(113)
Zij zijn mijn Heer alleen rekenschap verschuldigd; begreept gij dit slechts!(113)
وَما أَنا۠ بِطارِدِ المُؤمِنينَ(114)
Daarom zal ik de geloovigen niet verdrijven.(114)
إِن أَنا۠ إِلّا نَذيرٌ مُبينٌ(115)
Ik ben slechts een openbaar prediker.(115)
قالوا لَئِن لَم تَنتَهِ يٰنوحُ لَتَكونَنَّ مِنَ المَرجومينَ(116)
Zij hernamen: Zekerlijk, o Noach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen zult gij gesteenigd worden.(116)
قالَ رَبِّ إِنَّ قَومى كَذَّبونِ(117)
Hij zeide: O Heer! waarlijk, mijn volk houdt mij voor een leugenaar.(117)
فَافتَح بَينى وَبَينَهُم فَتحًا وَنَجِّنى وَمَن مَعِىَ مِنَ المُؤمِنينَ(118)
Richt dus in het openbaar tusschen mij en hen, en bevrijd mij en de ware geloovigen, die met mij zijn,(118)
فَأَنجَينٰهُ وَمَن مَعَهُ فِى الفُلكِ المَشحونِ(119)
Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in de ark, met menschen en dieren gevuld.(119)
ثُمَّ أَغرَقنا بَعدُ الباقينَ(120)
En daarom verdronken wij de overigen.(120)
إِنَّ فى ذٰلِكَ لَءايَةً ۖ وَما كانَ أَكثَرُهُم مُؤمِنينَ(121)
Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.(121)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ العَزيزُ الرَّحيمُ(122)
Uw Heer is de machtige, de barmhartige,(122)
كَذَّبَت عادٌ المُرسَلينَ(123)
De stam van Ad beschuldigde Gods boodschapper van logen.(123)
إِذ قالَ لَهُم أَخوهُم هودٌ أَلا تَتَّقونَ(124)
Toen hun broeder Hud tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?(124)
إِنّى لَكُم رَسولٌ أَمينٌ(125)
Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.(125)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطيعونِ(126)
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.(126)
وَما أَسـَٔلُكُم عَلَيهِ مِن أَجرٍ ۖ إِن أَجرِىَ إِلّا عَلىٰ رَبِّ العٰلَمينَ(127)
[ik vraag van u geenerlei belooning voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.(127)
أَتَبنونَ بِكُلِّ ريعٍ ءايَةً تَعبَثونَ(128)
Bouwt gij een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken?(128)
وَتَتَّخِذونَ مَصانِعَ لَعَلَّكُم تَخلُدونَ(129)
En richt gij prachtige werken op, in de hoop die eeuwig te bezitten?(129)
وَإِذا بَطَشتُم بَطَشتُم جَبّارينَ(130)
En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met onbarmhartigheid en gestrengheid uit.(130)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطيعونِ(131)
Vreest God, door deze dingen te verlaten en gelooft mij].(131)
وَاتَّقُوا الَّذى أَمَدَّكُم بِما تَعلَمونَ(132)
En vreest hem, die u datgene heeft geschonken, wat gij kent.(132)
أَمَدَّكُم بِأَنعٰمٍ وَبَنينَ(133)
Hij heeft u vee geschonken en kinderen;(133)
وَجَنّٰتٍ وَعُيونٍ(134)
En tuinen en fonteinen.(134)
إِنّى أَخافُ عَلَيكُم عَذابَ يَومٍ عَظيمٍ(135)
Waarlijk, ik vrees voor u de straf van een gestrengen dag.(135)
قالوا سَواءٌ عَلَينا أَوَعَظتَ أَم لَم تَكُن مِنَ الوٰعِظينَ(136)
Zij antwoordden: Het is ons gelijk, of gij ons al dan niet vermaant.(136)
إِن هٰذا إِلّا خُلُقُ الأَوَّلينَ(137)
Wat gij ons predikt is slechts een verzinsel der ouden.(137)
وَما نَحنُ بِمُعَذَّبينَ(138)
Nimmer zullen wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan.(138)
فَكَذَّبوهُ فَأَهلَكنٰهُم ۗ إِنَّ فى ذٰلِكَ لَءايَةً ۖ وَما كانَ أَكثَرُهُم مُؤمِنينَ(139)
En zij beschuldigden hem van bedrog, en daarom verdelgden wij hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.(139)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ العَزيزُ الرَّحيمُ(140)
Uw Heer is de machtige, de barmhartige.(140)
كَذَّبَت ثَمودُ المُرسَلينَ(141)
De stam van Thamoed beschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen.(141)
إِذ قالَ لَهُم أَخوهُم صٰلِحٌ أَلا تَتَّقونَ(142)
Toen hun broeder Saleh tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?(142)
إِنّى لَكُم رَسولٌ أَمينٌ(143)
Waarlijk, ik ben een geloovig boodschapper voor u.(143)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطيعونِ(144)
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.(144)
وَما أَسـَٔلُكُم عَلَيهِ مِن أَجرٍ ۖ إِن أَجرِىَ إِلّا عَلىٰ رَبِّ العٰلَمينَ(145)
Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.(145)
أَتُترَكونَ فى ما هٰهُنا ءامِنينَ(146)
Zult gij altijd in het zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn,(146)
فى جَنّٰتٍ وَعُيونٍ(147)
Waaronder tuinen en fonteinen.(147)
وَزُروعٍ وَنَخلٍ طَلعُها هَضيمٌ(148)
En korenvelden en palmboomen, wier takken met bloemen zijn beladen?(148)
وَتَنحِتونَ مِنَ الجِبالِ بُيوتًا فٰرِهينَ(149)
En wilt gij voortgaan, u woningen uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt?(149)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطيعونِ(150)
Vreest God en gehoorzaamt mij.(150)
وَلا تُطيعوا أَمرَ المُسرِفينَ(151)
En gehoorzaamt niet het bevel der zondaren.(151)
الَّذينَ يُفسِدونَ فِى الأَرضِ وَلا يُصلِحونَ(152)
Die snood op aarde handelen, en die zich niet verbeteren.(152)
قالوا إِنَّما أَنتَ مِنَ المُسَحَّرينَ(153)
Zij antwoordden: Waarlijk, gij zijt bezeten.(153)
ما أَنتَ إِلّا بَشَرٌ مِثلُنا فَأتِ بِـٔايَةٍ إِن كُنتَ مِنَ الصّٰدِقينَ(154)
Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon ons een teeken indien gij de waarheid spreekt.(154)
قالَ هٰذِهِ ناقَةٌ لَها شِربٌ وَلَكُم شِربُ يَومٍ مَعلومٍ(155)
Saleh zeide: Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren, voor u bepaalden dag.(155)
وَلا تَمَسّوها بِسوءٍ فَيَأخُذَكُم عَذابُ يَومٍ عَظيمٍ(156)
En deer haar niet, opdat u de straf van een vreeselijken dag niet worde opgelegd.(156)
فَعَقَروها فَأَصبَحوا نٰدِمينَ(157)
Maar zij doodden haar en berouwden hunne boosheid.(157)
فَأَخَذَهُمُ العَذابُ ۗ إِنَّ فى ذٰلِكَ لَءايَةً ۖ وَما كانَ أَكثَرُهُم مُؤمِنينَ(158)
Want de straf, waarmede zij bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet.(158)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ العَزيزُ الرَّحيمُ(159)
Uw Heer is de machtige, de genadige.(159)
كَذَّبَت قَومُ لوطٍ المُرسَلينَ(160)
Het volk van Lot beschuldigde Gods boodschappers eveneens van bedrog.(160)
إِذ قالَ لَهُم أَخوهُم لوطٌ أَلا تَتَّقونَ(161)
Toen hun broeder Lot tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?(161)
إِنّى لَكُم رَسولٌ أَمينٌ(162)
Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.(162)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطيعونِ(163)
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.(163)
وَما أَسـَٔلُكُم عَلَيهِ مِن أَجرٍ ۖ إِن أَجرِىَ إِلّا عَلىٰ رَبِّ العٰلَمينَ(164)
Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking: Ik verwacht mijne belooning van geen ander dan van den Heer van alle schepselen.(164)
أَتَأتونَ الذُّكرانَ مِنَ العٰلَمينَ(165)
Nadert gij de mannelijke wezens onder de menschen.(165)
وَتَذَرونَ ما خَلَقَ لَكُم رَبُّكُم مِن أَزوٰجِكُم ۚ بَل أَنتُم قَومٌ عادونَ(166)
En verlaat gij uwe vrouwen, die uw Heer voor u heeft geschapen. Waarlijk, gij zijt zondaren.(166)
قالوا لَئِن لَم تَنتَهِ يٰلوطُ لَتَكونَنَّ مِنَ المُخرَجينَ(167)
Zij zeiden: Indien gij zoo voortgaat, o Lot! zult gij zekerlijk uit onze stad worden verdreven.(167)
قالَ إِنّى لِعَمَلِكُم مِنَ القالينَ(168)
Hij zeide: Waarlijk, ik behoor tot hen, die uwe daden verfoeien.(168)
رَبِّ نَجِّنى وَأَهلى مِمّا يَعمَلونَ(169)
O Heer! bevrijd mij en mijn gezin van hetgeen zij bedrijven.(169)
فَنَجَّينٰهُ وَأَهلَهُ أَجمَعينَ(170)
Daarom bevrijdden wij hem en zijn geheel gezin.(170)
إِلّا عَجوزًا فِى الغٰبِرينَ(171)
Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die omkwam met hen die achtergebleven waren.(171)
ثُمَّ دَمَّرنَا الءاخَرينَ(172)
Daarna verdelgden wij de overigen.(172)
وَأَمطَرنا عَلَيهِم مَطَرًا ۖ فَساءَ مَطَرُ المُنذَرينَ(173)
En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen, en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te vergeefs waren gewaarschuwd.(173)
إِنَّ فى ذٰلِكَ لَءايَةً ۖ وَما كانَ أَكثَرُهُم مُؤمِنينَ(174)
Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.(174)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ العَزيزُ الرَّحيمُ(175)
Uw Heer is de machtige, de genadige.(175)
كَذَّبَ أَصحٰبُ لـَٔيكَةِ المُرسَلينَ(176)
Ook de bewoners van het woud beschuldigden Gods gezanten van bedrog.(176)
إِذ قالَ لَهُم شُعَيبٌ أَلا تَتَّقونَ(177)
Toen Shoaib tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?(177)
إِنّى لَكُم رَسولٌ أَمينٌ(178)
Waarlijk ik ben een geloovig boodschapper voor u.(178)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطيعونِ(179)
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.(179)
وَما أَسـَٔلُكُم عَلَيهِ مِن أَجرٍ ۖ إِن أَجرِىَ إِلّا عَلىٰ رَبِّ العٰلَمينَ(180)
Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking; ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.(180)
۞ أَوفُوا الكَيلَ وَلا تَكونوا مِنَ المُخسِرينَ(181)
Geeft juist gewicht en weest geene bedriegers.(181)
وَزِنوا بِالقِسطاسِ المُستَقيمِ(182)
En weegt met een gelijke weegschaal.(182)
وَلا تَبخَسُوا النّاسَ أَشياءَهُم وَلا تَعثَوا فِى الأَرضِ مُفسِدينَ(183)
En vermindert niet wat den menschen toekomt; bedrijft geen geweld op aarde; en handelt niet slecht.(183)
وَاتَّقُوا الَّذى خَلَقَكُم وَالجِبِلَّةَ الأَوَّلينَ(184)
En vreest hem die u en de vroegere geslachten heeft geschapen.(184)
قالوا إِنَّما أَنتَ مِنَ المُسَحَّرينَ(185)
Zij antwoordden: Waarlijk gij zijt bezeten.(185)
وَما أَنتَ إِلّا بَشَرٌ مِثلُنا وَإِن نَظُنُّكَ لَمِنَ الكٰذِبينَ(186)
Gij zijt niets meer dan een mensch gelijk wij en waarlijk, wij houden u voor een leugenaar.(186)
فَأَسقِط عَلَينا كِسَفًا مِنَ السَّماءِ إِن كُنتَ مِنَ الصّٰدِقينَ(187)
Doe thans een deel van den hemel op ons nedervallen, indien gij de Waarheid spreekt.(187)
قالَ رَبّى أَعلَمُ بِما تَعمَلونَ(188)
Shoaib zeide. Mijn Heer weet het beste wat gij doet.(188)
فَكَذَّبوهُ فَأَخَذَهُم عَذابُ يَومِ الظُّلَّةِ ۚ إِنَّهُ كانَ عَذابَ يَومٍ عَظيمٍ(189)
En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk, en dit was de straf van den vreeselijken dag.(189)
إِنَّ فى ذٰلِكَ لَءايَةً ۖ وَما كانَ أَكثَرُهُم مُؤمِنينَ(190)
Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.(190)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ العَزيزُ الرَّحيمُ(191)
Uw Heer is de machtige, de barmhartige.(191)
وَإِنَّهُ لَتَنزيلُ رَبِّ العٰلَمينَ(192)
Dit boek is zekerlijk eene openbaring van den Heer van alle schepselen.(192)
نَزَلَ بِهِ الرّوحُ الأَمينُ(193)
Welke de getrouwe geest op uw hart heeft doen nederdalen.(193)
عَلىٰ قَلبِكَ لِتَكونَ مِنَ المُنذِرينَ(194)
Opdat gij een prediker voor uw volk zoudt zijn,(194)
بِلِسانٍ عَرَبِىٍّ مُبينٍ(195)
In de duidelijke Arabische taal.(195)
وَإِنَّهُ لَفى زُبُرِ الأَوَّلينَ(196)
Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden wordt geleverd.(196)
أَوَلَم يَكُن لَهُم ءايَةً أَن يَعلَمَهُ عُلَمٰؤُا۟ بَنى إِسرٰءيلَ(197)
Was het geen teeken voor hen, dat de wijze mannen onder de kinderen Israëls die kenden?(197)
وَلَو نَزَّلنٰهُ عَلىٰ بَعضِ الأَعجَمينَ(198)
Hadden wij het aan een der vreemdelingen geopenbaard.(198)
فَقَرَأَهُ عَلَيهِم ما كانوا بِهِ مُؤمِنينَ(199)
En hij zou het hun hebben voorgelezen, dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven.(199)
كَذٰلِكَ سَلَكنٰهُ فى قُلوبِ المُجرِمينَ(200)
Zoo deden wij hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden.(200)
لا يُؤمِنونَ بِهِ حَتّىٰ يَرَوُا العَذابَ الأَليمَ(201)
Zij zullen daarin niet gelooven, dan nadat zij eene pijnlijke straf hebben gezien.(201)
فَيَأتِيَهُم بَغتَةً وَهُم لا يَشعُرونَ(202)
Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze niet voorzien.(202)
فَيَقولوا هَل نَحنُ مُنظَرونَ(203)
En zij zullen zeggen: zal ons uitstel worden verleend?(203)
أَفَبِعَذابِنا يَستَعجِلونَ(204)
Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast?(204)
أَفَرَءَيتَ إِن مَتَّعنٰهُم سِنينَ(205)
Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van dit leven voor vele jaren te genieten.(205)
ثُمَّ جاءَهُم ما كانوا يوعَدونَ(206)
En datgene, waarmede zij bedreigd werden, later over hen komt.(206)
ما أَغنىٰ عَنهُم ما كانوا يُمَتَّعونَ(207)
Wat zal het hen van voordeel zijn, wat zij hebben genoten?(207)
وَما أَهلَكنا مِن قَريَةٍ إِلّا لَها مُنذِرونَ(208)
Wij hebben geene stad verwoest, dan nadat er vooraf gezanten waren heengezonden.(208)
ذِكرىٰ وَما كُنّا ظٰلِمينَ(209)
Ten einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen niet onrechtvaardig.(209)
وَما تَنَزَّلَت بِهِ الشَّيٰطينُ(210)
De duivelen daalden niet neder met den Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven;(210)
وَما يَنبَغى لَهُم وَما يَستَطيعونَ(211)
Dat komt niet overeen met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te brengen.(211)
إِنَّهُم عَنِ السَّمعِ لَمَعزولونَ(212)
Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der engelen in den hemel te hooren.(212)
فَلا تَدعُ مَعَ اللَّهِ إِلٰهًا ءاخَرَ فَتَكونَ مِنَ المُعَذَّبينَ(213)
Roep geen anderen god met den waren God aan, opdat gij niet tot een van hen wordet, die ter straffe zijn gedoemd.(213)
وَأَنذِر عَشيرَتَكَ الأَقرَبينَ(214)
En vermaan uwe naaste betrekkingen.(214)
وَاخفِض جَناحَكَ لِمَنِ اتَّبَعَكَ مِنَ المُؤمِنينَ(215)
En gedraag u met zachtmoedigheid omtrent de ware geloovigen die u volgen.(215)
فَإِن عَصَوكَ فَقُل إِنّى بَريءٌ مِمّا تَعمَلونَ(216)
En indien zij ongehoorzaam omtrent u zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet.(216)
وَتَوَكَّل عَلَى العَزيزِ الرَّحيمِ(217)
En vertrouw in den machtigsten, den barmhartigsten God.(217)
الَّذى يَرىٰكَ حينَ تَقومُ(218)
Die u ziet als gij opstaat,(218)
وَتَقَلُّبَكَ فِى السّٰجِدينَ(219)
En uw gedrag onder hen die aanbidden;(219)
إِنَّهُ هُوَ السَّميعُ العَليمُ(220)
Want hij ziet en hoort alles.(220)
هَل أُنَبِّئُكُم عَلىٰ مَن تَنَزَّلُ الشَّيٰطينُ(221)
Zal ik u verklaren op wie de duivelen nederdalen?(221)
تَنَزَّلُ عَلىٰ كُلِّ أَفّاكٍ أَثيمٍ(222)
Zij dalen neder op iederen leugenachtigen en zondigen persoon.(222)
يُلقونَ السَّمعَ وَأَكثَرُهُم كٰذِبونَ(223)
Zij leeren wat gehoord is geworden, maar het grootste deel hunner zijn leugenaars.(223)
وَالشُّعَراءُ يَتَّبِعُهُمُ الغاوۥنَ(224)
En zij die dwalen, volgen de stappen der dichters.(224)
أَلَم تَرَ أَنَّهُم فى كُلِّ وادٍ يَهيمونَ(225)
Ziet gij niet dat zij, als van hunne zinnen beroofd, door iedere vallei wandelen?(225)
وَأَنَّهُم يَقولونَ ما لا يَفعَلونَ(226)
En dat zij zeggen, wat zij niet doen?(226)
إِلَّا الَّذينَ ءامَنوا وَعَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَذَكَرُوا اللَّهَ كَثيرًا وَانتَصَروا مِن بَعدِ ما ظُلِموا ۗ وَسَيَعلَمُ الَّذينَ ظَلَموا أَىَّ مُنقَلَبٍ يَنقَلِبونَ(227)
Behalve zij die gelooven en goede werken doen en God dikwijls herdenken. En die zich zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden; terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke handeling zij te wachten hebben.(227)