As-Saffat( الصافات)
Original,King Fahad Quran Complex(الأصلي,مجمع الملك فهد القرآن)
show/hide
Salomo Keyzer (Salomo Keyzer )
show/hide
بِسمِ اللَّهِ الرَّحمٰنِ الرَّحيمِ وَالصّٰفّٰتِ صَفًّا(1)
Ik zweer bij de engelen, die zich in orde scharen.(1)
فَالزّٰجِرٰتِ زَجرًا(2)
En bij hen die de wolken voortdrijven en verspreiden.(2)
فَالتّٰلِيٰتِ ذِكرًا(3)
En bij hen, die den Koran lezen als eene vermaning,(3)
إِنَّ إِلٰهَكُم لَوٰحِدٌ(4)
Waarlijk, uw Heer is eenig.(4)
رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَالأَرضِ وَما بَينَهُما وَرَبُّ المَشٰرِقِ(5)
De Heer van hemel en aarde en van alles wat daartusschen is, en de Heer van het Oosten.(5)
إِنّا زَيَّنَّا السَّماءَ الدُّنيا بِزينَةٍ الكَواكِبِ(6)
Wij hebben den ondersten hemel met het versiersel der sterrren getooid.(6)
وَحِفظًا مِن كُلِّ شَيطٰنٍ مارِدٍ(7)
En wij hebben daarin een wachter tegen iederen weerspannigen duivel geplaatst.(7)
لا يَسَّمَّعونَ إِلَى المَلَإِ الأَعلىٰ وَيُقذَفونَ مِن كُلِّ جانِبٍ(8)
Opdat zij niet luisteren naar het gesprek der verheven vorsten (want zij worden van alle zijden bestormd),(8)
دُحورًا ۖ وَلَهُم عَذابٌ واصِبٌ(9)
En eene zware marteling is voor hen gereed gemaakt.(9)
إِلّا مَن خَطِفَ الخَطفَةَ فَأَتبَعَهُ شِهابٌ ثاقِبٌ(10)
Behalve hij, die een woord steelsgewijze opvangt, en door eene vlammende schicht wordt getroffen.(10)
فَاستَفتِهِم أَهُم أَشَدُّ خَلقًا أَم مَن خَلَقنا ۚ إِنّا خَلَقنٰهُم مِن طينٍ لازِبٍ(11)
Vraag daarom den bewoners van Mekka, of zij van nature sterker zijn dan de engelen welke wij hebben geschapen? Waarlijk wij hebben hen van harde klei geschapen.(11)
بَل عَجِبتَ وَيَسخَرونَ(12)
Gij verbaast u over Gods macht en hunne weêrspannigheid; maar zij spotten over de bewijsmiddelen, welke aangevoerd worden om hen te overtuigen.(12)
وَإِذا ذُكِّروا لا يَذكُرونَ(13)
Als zij gewaarschuwd worden, nemen zij geene waarschuwing aan.(13)
وَإِذا رَأَوا ءايَةً يَستَسخِرونَ(14)
En als zij iets zien, spotten zij er mede.(14)
وَقالوا إِن هٰذا إِلّا سِحرٌ مُبينٌ(15)
En zeggen: Dit is niet anders dan duidelijke tooverij.(15)
أَءِذا مِتنا وَكُنّا تُرابًا وَعِظٰمًا أَءِنّا لَمَبعوثونَ(16)
Nadat wij dood zullen wezen en tot stof en beenderen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk tot het leven worden opgewekt.(16)
أَوَءاباؤُنَا الأَوَّلونَ(17)
En onze voorvaderen ook?(17)
قُل نَعَم وَأَنتُم دٰخِرونَ(18)
Antwoord: Ja! en dan zult gij veracht wezen.(18)
فَإِنَّما هِىَ زَجرَةٌ وٰحِدَةٌ فَإِذا هُم يَنظُرونَ(19)
Er zal slechts eenmaal op de trompet worden geblazen, en zij zullen rond zien.(19)
وَقالوا يٰوَيلَنا هٰذا يَومُ الدّينِ(20)
En zullen zeggen: Wee over ons! Dit is de dag des oordeels.(20)
هٰذا يَومُ الفَصلِ الَّذى كُنتُم بِهِ تُكَذِّبونَ(21)
Dit is de dag der onderscheiding tusschen de rechtvaardigen en de zondaren, dien gij als eene leugen verwerpt.(21)
۞ احشُرُوا الَّذينَ ظَلَموا وَأَزوٰجَهُم وَما كانوا يَعبُدونَ(22)
Verzamel degenen, die onrechtvaardig hebben gehandeld en hunne makkers, en de afgoden welke zij aanbaden.(22)
مِن دونِ اللَّهِ فَاهدوهُم إِلىٰ صِرٰطِ الجَحيمِ(23)
Naast God, en leidt hen op den weg der hel.(23)
وَقِفوهُم ۖ إِنَّهُم مَسـٔولونَ(24)
En plaats hen voor Gods vierschaar; want zij zullen geroepen worden om rekenschap af te leggen.(24)
ما لَكُم لا تَناصَرونَ(25)
Wat deert u, dat gij elkander niet verdedigt?(25)
بَل هُمُ اليَومَ مُستَسلِمونَ(26)
Maar op dien dag zullen zij zich aan Gods oordeel onderwerpen.(26)
وَأَقبَلَ بَعضُهُم عَلىٰ بَعضٍ يَتَساءَلونَ(27)
En zij zullen elkander naderen en onder elkander twisten.(27)
قالوا إِنَّكُم كُنتُم تَأتونَنا عَنِ اليَمينِ(28)
En de verleiden zullen zeggen tot hen die hen hebben verleid: Waarlijk, gij kwaamt tot ons met voorspellingen van voorspoed.(28)
قالوا بَل لَم تَكونوا مُؤمِنينَ(29)
En de verleiders zullen antwoorden: Neen! gij waart veeleer geene ware geloovigen;(29)
وَما كانَ لَنا عَلَيكُم مِن سُلطٰنٍ ۖ بَل كُنتُم قَومًا طٰغينَ(30)
Want wij hadden geene macht over u, om u te dwingen, maar gij hebt vrijwillig gezondigd.(30)
فَحَقَّ عَلَينا قَولُ رَبِّنا ۖ إِنّا لَذائِقونَ(31)
Daarom werd het vonnis van onzen Heer rechtvaardig over ons uitgesproken, en wij zullen zekerlijk zijne wraak proeven.(31)
فَأَغوَينٰكُم إِنّا كُنّا غٰوينَ(32)
Wij verleidden u, maar wij dwaalden ook zelven.(32)
فَإِنَّهُم يَومَئِذٍ فِى العَذابِ مُشتَرِكونَ(33)
Zij zullen op dezen dag dus beiden deelgenooten van dezelfde straf zijn.(33)
إِنّا كَذٰلِكَ نَفعَلُ بِالمُجرِمينَ(34)
Zoo zullen wij met de zondaren handelen;(34)
إِنَّهُم كانوا إِذا قيلَ لَهُم لا إِلٰهَ إِلَّا اللَّهُ يَستَكبِرونَ(35)
Want toen er tot hen werd gezegd: Er is geen god buiten den waren God, bliezen zij zich op met hoogmoed.(35)
وَيَقولونَ أَئِنّا لَتارِكوا ءالِهَتِنا لِشاعِرٍ مَجنونٍ(36)
En zeiden: zullen wij onze goden voor een bezeten dichter verlaten?(36)
بَل جاءَ بِالحَقِّ وَصَدَّقَ المُرسَلينَ(37)
Neen! hij komt met de waarheid en legt getuigenis af voor de vroegere gezanten.(37)
إِنَّكُم لَذائِقُوا العَذابِ الأَليمِ(38)
Gij zult zekerlijk de pijnlijke martelingen der hel proeven.(38)
وَما تُجزَونَ إِلّا ما كُنتُم تَعمَلونَ(39)
En gij zult niet vergolden worden, dan overeenkomstig uwe werken.(39)
إِلّا عِبادَ اللَّهِ المُخلَصينَ(40)
Maar wat de oprechte dienaren Gods betreft.(40)
أُولٰئِكَ لَهُم رِزقٌ مَعلومٌ(41)
Zij zullen een zekeren voorraad in het paradijs hebben:(41)
فَوٰكِهُ ۖ وَهُم مُكرَمونَ(42)
Namelijk heerlijke vruchten, en zij zullen geëerd worden.(42)
فى جَنّٰتِ النَّعيمِ(43)
Zij zullen in tuinen des vermaaks geplaatst worden.(43)
عَلىٰ سُرُرٍ مُتَقٰبِلينَ(44)
Leunende in tegenover elkander geplaatste zetels.(44)
يُطافُ عَلَيهِم بِكَأسٍ مِن مَعينٍ(45)
Een beker zal onder hen worden rondgereikt, gevuld aan eene heldere fontein;(45)
بَيضاءَ لَذَّةٍ لِلشّٰرِبينَ(46)
Een heerlijkheid voor hen, die er van zullen drinken.(46)
لا فيها غَولٌ وَلا هُم عَنها يُنزَفونَ(47)
Het zal het verstand niet benevelen, en zij zullen er niet door bedwelmd worden.(47)
وَعِندَهُم قٰصِرٰتُ الطَّرفِ عينٌ(48)
En nabij hen zullen de maagden van het paradijs liggen, hare blikken, behalve van hunne bruidegommen, van ieder een afwendende, hebbende groote, zwarte oogen,(48)
كَأَنَّهُنَّ بَيضٌ مَكنونٌ(49)
En gelijkende op de eieren van een struisvogel, zorgvol met vederen bedekt.(49)
فَأَقبَلَ بَعضُهُم عَلىٰ بَعضٍ يَتَساءَلونَ(50)
En zij zullen zich tot elkander wenden, en elkander vragen doen.(50)
قالَ قائِلٌ مِنهُم إِنّى كانَ لى قَرينٌ(51)
En een van hen zal zeggen: Waarlijk, ik had een vertrouwden vriend, terwijl ik op de wereld leefde.(51)
يَقولُ أَءِنَّكَ لَمِنَ المُصَدِّقينَ(52)
Die tot mij zeide: Zijt gij een van hen, die de waarheid der opstanding betuigen?(52)
أَءِذا مِتنا وَكُنّا تُرابًا وَعِظٰمًا أَءِنّا لَمَدينونَ(53)
Nadat wij dood zullen zijn, en tot stof en beenderen veranderd wezen, zullen wij dan zekerlijk worden geoordeeld?(53)
قالَ هَل أَنتُم مُطَّلِعونَ(54)
Dan zal hij tot zijne makkers zeggen: Wilt gij nederzien?(54)
فَاطَّلَعَ فَرَءاهُ فى سَواءِ الجَحيمِ(55)
En zij zullen nederzien en hem in het midden der hel ontwaren.(55)
قالَ تَاللَّهِ إِن كِدتَ لَتُردينِ(56)
En hij zal tot hem zeggen: Bij God! er ontbrak weinig aan, of gij hadt mij verdorven.(56)
وَلَولا نِعمَةُ رَبّى لَكُنتُ مِنَ المُحضَرينَ(57)
En was het niet door de genade van mijnen Heer, dan ware ik zeker aan eene eeuwige marteling overgeleverd geworden.(57)
أَفَما نَحنُ بِمَيِّتينَ(58)
Zullen wij een anderen dan onzen eersten dood sterven?(58)
إِلّا مَوتَتَنَا الأولىٰ وَما نَحنُ بِمُعَذَّبينَ(59)
Of ondergaan wij eenige straf?(59)
إِنَّ هٰذا لَهُوَ الفَوزُ العَظيمُ(60)
Waarlijk, wij genieten eene groote gelukzaligheid.(60)
لِمِثلِ هٰذا فَليَعمَلِ العٰمِلونَ(61)
Laten de arbeiders arbeiden om eene gelukzaligheid gelijk deze te verwerven.(61)
أَذٰلِكَ خَيرٌ نُزُلًا أَم شَجَرَةُ الزَّقّومِ(62)
Is dit een beter onthaal, of de boom van al Zakkum?(62)
إِنّا جَعَلنٰها فِتنَةً لِلظّٰلِمينَ(63)
Waarlijk, wij hebben dien aangeduid als eene aanleiding tot twist onder de onrechtvaardigen(63)
إِنَّها شَجَرَةٌ تَخرُجُ فى أَصلِ الجَحيمِ(64)
Het is een boom die aan den bodem der hel ontspruit.(64)
طَلعُها كَأَنَّهُ رُءوسُ الشَّيٰطينِ(65)
De vrucht daarvan gelijkt op de hoofden van duivelen.(65)
فَإِنَّهُم لَءاكِلونَ مِنها فَمالِـٔونَ مِنهَا البُطونَ(66)
De verdoemden zullen daarvan eten, en hunne buiken daarmede vullen.(66)
ثُمَّ إِنَّ لَهُم عَلَيها لَشَوبًا مِن حَميمٍ(67)
Vervolgens zal hun een mengsel van vuil en kokend water te drinken worden gegeven.(67)
ثُمَّ إِنَّ مَرجِعَهُم لَإِلَى الجَحيمِ(68)
Daarna zullen zij in de hel terugkeeren.(68)
إِنَّهُم أَلفَوا ءاباءَهُم ضالّينَ(69)
Zij bevonden dat hunne vaderen dwalende waren.(69)
فَهُم عَلىٰ ءاثٰرِهِم يُهرَعونَ(70)
En zij traden haastig in hunne voetstappen;(70)
وَلَقَد ضَلَّ قَبلَهُم أَكثَرُ الأَوَّلينَ(71)
Want het meerendeel der oude volken dwaalden vóór hen.(71)
وَلَقَد أَرسَلنا فيهِم مُنذِرينَ(72)
Wij zonden vroeger waarschuwers tot hen;(72)
فَانظُر كَيفَ كانَ عٰقِبَةُ المُنذَرينَ(73)
Maar zie hoe ellendig het einde was van degenen, die gewaarschuwd werden.(73)
إِلّا عِبادَ اللَّهِ المُخلَصينَ(74)
En die niet onze oprechte dienaren waren.(74)
وَلَقَد نادىٰنا نوحٌ فَلَنِعمَ المُجيبونَ(75)
Noach riep ons in vroegere dagen aan, en wij verhoorden hem genadiglijk.(75)
وَنَجَّينٰهُ وَأَهلَهُ مِنَ الكَربِ العَظيمِ(76)
En wij bevrijdden hem en zijn gezin uit de groote ellende.(76)
وَجَعَلنا ذُرِّيَّتَهُ هُمُ الباقينَ(77)
Wij deden zijne nakomelingschap den zondvloed overleven, om de aarde te bevolken.(77)
وَتَرَكنا عَلَيهِ فِى الءاخِرينَ(78)
En wij lieten hem de volgende begroeting door de verste nakomelingschap geven:(78)
سَلٰمٌ عَلىٰ نوحٍ فِى العٰلَمينَ(79)
Vrede zij op Noach onder alle schepselen!(79)
إِنّا كَذٰلِكَ نَجزِى المُحسِنينَ(80)
Zoo beloonen wij de rechtvaardigen.(80)
إِنَّهُ مِن عِبادِنَا المُؤمِنينَ(81)
Want hij was een van onze dienaren, de ware geloovigen.(81)
ثُمَّ أَغرَقنَا الءاخَرينَ(82)
Daarna verdronken wij de anderen.(82)
۞ وَإِنَّ مِن شيعَتِهِ لَإِبرٰهيمَ(83)
Abraham was mede van zijnen godsdienst;(83)
إِذ جاءَ رَبَّهُ بِقَلبٍ سَليمٍ(84)
Toen hij met een volkomen hart tot zijn Heer kwam.(84)
إِذ قالَ لِأَبيهِ وَقَومِهِ ماذا تَعبُدونَ(85)
Toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: Wat vreest gij?(85)
أَئِفكًا ءالِهَةً دونَ اللَّهِ تُريدونَ(86)
Kiest gij bij voorkeur valsche goden boven den waren God?(86)
فَما ظَنُّكُم بِرَبِّ العٰلَمينَ(87)
Wat is dus uwe meening opzichtens den Heer aller schepselen?(87)
فَنَظَرَ نَظرَةً فِى النُّجومِ(88)
En hij beschouwde de sterren.(88)
فَقالَ إِنّى سَقيمٌ(89)
En zeide: Waarlijk, ik zal ziek wezen en niet bij uwe offeringen tegenwoordig zijn.(89)
فَتَوَلَّوا عَنهُ مُدبِرينَ(90)
En zij keerden zich af en verlieten hem.(90)
فَراغَ إِلىٰ ءالِهَتِهِم فَقالَ أَلا تَأكُلونَ(91)
En Abraham wendde zich in het geheim tot hunne goden, en zeide spottende tot hen: Eet gij niet van het vleesch dat u is voorgezet?(91)
ما لَكُم لا تَنطِقونَ(92)
Wat deert u, dat gij niet spreekt?(92)
فَراغَ عَلَيهِم ضَربًا بِاليَمينِ(93)
En hij keerde zich tot hen, en sloeg hen met zijne rechterhand en vernietigde hen.(93)
فَأَقبَلوا إِلَيهِ يَزِفّونَ(94)
En zijn volk kwam haastig tot hem.(94)
قالَ أَتَعبُدونَ ما تَنحِتونَ(95)
Hij zeide: Aanbidt gij de beelden die gij zelven snijdt?(95)
وَاللَّهُ خَلَقَكُم وَما تَعمَلونَ(96)
Terwijl God u heeft geschapen en ook datgene wat gij maakt.(96)
قالُوا ابنوا لَهُ بُنيٰنًا فَأَلقوهُ فِى الجَحيمِ(97)
Zij zeiden: Richt een brandstapel voor hem op en werp hem in het gloeiende vuur.(97)
فَأَرادوا بِهِ كَيدًا فَجَعَلنٰهُمُ الأَسفَلينَ(98)
En zij smeedden eene list tegen hem. Maar wij deden hem het onderspit delven en bevrijdden hem.(98)
وَقالَ إِنّى ذاهِبٌ إِلىٰ رَبّى سَيَهدينِ(99)
En Abraham zeide: Waarlijk, ik ga tot mijnen Heer, die mij zal richten.(99)
رَبِّ هَب لى مِنَ الصّٰلِحينَ(100)
O Heer! geef mij eene rechtvaardige nakomelingschap.(100)
فَبَشَّرنٰهُ بِغُلٰمٍ حَليمٍ(101)
Daarom maakten wij hem bekend, dat hij een zoon zou bekomen, die een zachten aard zou hebben.(101)
فَلَمّا بَلَغَ مَعَهُ السَّعىَ قالَ يٰبُنَىَّ إِنّى أَرىٰ فِى المَنامِ أَنّى أَذبَحُكَ فَانظُر ماذا تَرىٰ ۚ قالَ يٰأَبَتِ افعَل ما تُؤمَرُ ۖ سَتَجِدُنى إِن شاءَ اللَّهُ مِنَ الصّٰبِرينَ(102)
En toen hij den ouderdom der jongelingschap had bereikt, en zich met hem in de verrichtingen van den godsdienst kon vereenigen. Zeide Abraham tot hem: O mijn zoon! waarlijk, ik zag in een droom, dat ik u als eene offerande zoude aanbieden. Overweeg dus wat gij meent, dat ik zal doen. Hij antwoordde: O mijn vader! doe wat u bevolen werd; indien het Gode behaagt, zult gij bevinden dat ik het lijdzaam zal ondergaan.(102)
فَلَمّا أَسلَما وَتَلَّهُ لِلجَبينِ(103)
En toen zij beiden zich aan den goddelijken wil hadden onderworpen, en Abraham zijn zoon voorover op het aangezicht had gelegd.(103)
وَنٰدَينٰهُ أَن يٰإِبرٰهيمُ(104)
Riepen wij hem toe: O Abraham!(104)
قَد صَدَّقتَ الرُّءيا ۚ إِنّا كَذٰلِكَ نَجزِى المُحسِنينَ(105)
Gij hebt aan uw visioen geloofd. Zoo beloonen wij den rechtvaardige.(105)
إِنَّ هٰذا لَهُوَ البَلٰؤُا۟ المُبينُ(106)
Waarlijk, dit was eene duidelijke proef.(106)
وَفَدَينٰهُ بِذِبحٍ عَظيمٍ(107)
En wij losten zijn zoon met een edel slachtoffer uit.(107)
وَتَرَكنا عَلَيهِ فِى الءاخِرينَ(108)
En wij lieten hem de volgende groete door de verste nakomelingschap bewaren;(108)
سَلٰمٌ عَلىٰ إِبرٰهيمَ(109)
Namelijk: Vrede zij op Abraham!(109)
كَذٰلِكَ نَجزِى المُحسِنينَ(110)
Zoo beloonen wij den rechtvaardige;(110)
إِنَّهُ مِن عِبادِنَا المُؤمِنينَ(111)
Want hij was een onzer geloovige dienaren.(111)
وَبَشَّرنٰهُ بِإِسحٰقَ نَبِيًّا مِنَ الصّٰلِحينَ(112)
Wij verblijdden hem met de belofte van Izaäk, een rechtvaardigen profeet.(112)
وَبٰرَكنا عَلَيهِ وَعَلىٰ إِسحٰقَ ۚ وَمِن ذُرِّيَّتِهِما مُحسِنٌ وَظالِمٌ لِنَفسِهِ مُبينٌ(113)
En wij zegenden hem en Izaäk; en onder hunne nakomelingschap waren eenige rechtvaardigen, en anderen, die klaarblijkelijk hunne eigene zielen nadeel toebrachten.(113)
وَلَقَد مَنَنّا عَلىٰ موسىٰ وَهٰرونَ(114)
Wij waren ook vroeger genadig omtrent Mozes en Aäron.(114)
وَنَجَّينٰهُما وَقَومَهُما مِنَ الكَربِ العَظيمِ(115)
En wij bevrijdden hen en hun volk van eene groote ellende.(115)
وَنَصَرنٰهُم فَكانوا هُمُ الغٰلِبينَ(116)
Wij ondersteunden hen tegen de Egyptenaren, en zij werden overwinnaars.(116)
وَءاتَينٰهُمَا الكِتٰبَ المُستَبينَ(117)
Wij gaven hun het duidelijke boek der wet.(117)
وَهَدَينٰهُمَا الصِّرٰطَ المُستَقيمَ(118)
Wij leidden hen op den rechten weg.(118)
وَتَرَكنا عَلَيهِما فِى الءاخِرينَ(119)
En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hen bewaren;(119)
سَلٰمٌ عَلىٰ موسىٰ وَهٰرونَ(120)
Namelijk: Vrede zij op Mozes en Aäron!(120)
إِنّا كَذٰلِكَ نَجزِى المُحسِنينَ(121)
Zoo beloonen wij de rechtvaardigen.(121)
إِنَّهُما مِن عِبادِنَا المُؤمِنينَ(122)
Want zij waren twee onzer geloovige dienaren.(122)
وَإِنَّ إِلياسَ لَمِنَ المُرسَلينَ(123)
En Elias was mede een dergenen, die door ons werden gezonden.(123)
إِذ قالَ لِقَومِهِ أَلا تَتَّقونَ(124)
Toen hij tot zijn volk zeide: Vreest gij God niet?(124)
أَتَدعونَ بَعلًا وَتَذَرونَ أَحسَنَ الخٰلِقينَ(125)
Roept gij Baal aan, en verzaakt gij den uitmuntendsten schepper?(125)
اللَّهَ رَبَّكُم وَرَبَّ ءابائِكُمُ الأَوَّلينَ(126)
God is uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.(126)
فَكَذَّبوهُ فَإِنَّهُم لَمُحضَرونَ(127)
Maar zij beschuldigden hem van bedrog.(127)
إِلّا عِبادَ اللَّهِ المُخلَصينَ(128)
Weshalve zij aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd, behalve de oprechte dienaren Gods(128)
وَتَرَكنا عَلَيهِ فِى الءاخِرينَ(129)
En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hem bewaren.(129)
سَلٰمٌ عَلىٰ إِل ياسينَ(130)
Namelijk: Vrede zij op Ilyasin!(130)
إِنّا كَذٰلِكَ نَجزِى المُحسِنينَ(131)
Zoo beloonen wij den rechtvaardige.(131)
إِنَّهُ مِن عِبادِنَا المُؤمِنينَ(132)
Want hij was een onzer geloovige dienaren.(132)
وَإِنَّ لوطًا لَمِنَ المُرسَلينَ(133)
En Lot was mede een dergenen, die door ons werden gezonden.(133)
إِذ نَجَّينٰهُ وَأَهلَهُ أَجمَعينَ(134)
Toen wij hem en zijn geheel gezin bevrijden.(134)
إِلّا عَجوزًا فِى الغٰبِرينَ(135)
Behalve eene oude vrouw, zijne huisvrouw, die omkwam met hen die achterbleven.(135)
ثُمَّ دَمَّرنَا الءاخَرينَ(136)
Daarna verdelgden wij de anderen.(136)
وَإِنَّكُم لَتَمُرّونَ عَلَيهِم مُصبِحينَ(137)
En gij, o bewoners van Mekka! komt de plaatsen voorbij waar zij eens hebben gewoond, als gij des ochtends reist.(137)
وَبِالَّيلِ ۗ أَفَلا تَعقِلونَ(138)
En des nachts. Zult gij dan niet begrijpen?(138)
وَإِنَّ يونُسَ لَمِنَ المُرسَلينَ(139)
Jonas was mede een dergenen die door ons werden gezonden.(139)
إِذ أَبَقَ إِلَى الفُلكِ المَشحونِ(140)
Toen hij in een geladen schip vluchtte.(140)
فَساهَمَ فَكانَ مِنَ المُدحَضينَ(141)
En zij die aan boord waren, lootten onder elkander en hij werd veroordeeld.(141)
فَالتَقَمَهُ الحوتُ وَهُوَ مُليمٌ(142)
En de visch verzwolg hem; want hij had eene bestraffing verdiend.(142)
فَلَولا أَنَّهُ كانَ مِنَ المُسَبِّحينَ(143)
En indien hij niet eene ware geweest van hen die God loven.(143)
لَلَبِثَ فى بَطنِهِ إِلىٰ يَومِ يُبعَثونَ(144)
Waarlijk, dan ware hij, tot den dag der opstanding, in den buik van den visch gebleven.(144)
۞ فَنَبَذنٰهُ بِالعَراءِ وَهُوَ سَقيمٌ(145)
En wij wierpen hem op het naakte strand, en hij was ziek.(145)
وَأَنبَتنا عَلَيهِ شَجَرَةً مِن يَقطينٍ(146)
Wij deden een pompoenplant over hem heen groeien.(146)
وَأَرسَلنٰهُ إِلىٰ مِا۟ئَةِ أَلفٍ أَو يَزيدونَ(147)
Wij zonden hem daarna tot een volk van honderdduizend zielen of meer.(147)
فَـٔامَنوا فَمَتَّعنٰهُم إِلىٰ حينٍ(148)
En zij geloofden: daarom lieten wij hun dit leven nog voor eenigen tijd genieten.(148)
فَاستَفتِهِم أَلِرَبِّكَ البَناتُ وَلَهُمُ البَنونَ(149)
Vraag aan de bewoners van Mekka of uw Heer dochters heeft gelijk zij zonen hebben?(149)
أَم خَلَقنَا المَلٰئِكَةَ إِنٰثًا وَهُم شٰهِدونَ(150)
Hebben wij ook de engelen van het vrouwelijke geslacht geschapen, en waren zij er getuigen van?(150)
أَلا إِنَّهُم مِن إِفكِهِم لَيَقولونَ(151)
Zeggen zij niet, volgens hunne eigene, valsche uitvinding:(151)
وَلَدَ اللَّهُ وَإِنَّهُم لَكٰذِبونَ(152)
God heeft eene nakomelingschap gebaard? en zij zijn niet werkelijk leugenaars?(152)
أَصطَفَى البَناتِ عَلَى البَنينَ(153)
Heeft hij bij voorkeur dochters boven zonen verkozen?(153)
ما لَكُم كَيفَ تَحكُمونَ(154)
Gij hebt geene reden aldus te oordeelen.(154)
أَفَلا تَذَكَّرونَ(155)
Wilt gij dus niet vermaand wezen?(155)
أَم لَكُم سُلطٰنٌ مُبينٌ(156)
Of hebt gij een duidelijk bewijs voor hetgeen gij zegt?(156)
فَأتوا بِكِتٰبِكُم إِن كُنتُم صٰدِقينَ(157)
Brengt thans uw boek der openbaringen voor den dag, indien gij de waarheid spreekt.(157)
وَجَعَلوا بَينَهُ وَبَينَ الجِنَّةِ نَسَبًا ۚ وَلَقَد عَلِمَتِ الجِنَّةُ إِنَّهُم لَمُحضَرونَ(158)
En zij maken hem tot een verwante der geniussen, terwijl de geniussen weten, dat hij, die zulke dingen verklaart, aan de eeuwige straf zal worden overgeleverd.(158)
سُبحٰنَ اللَّهِ عَمّا يَصِفونَ(159)
(God is verheven, boven datgene wat zij nopens hem verklaren):(159)
إِلّا عِبادَ اللَّهِ المُخلَصينَ(160)
Maar niet Gods oprechte dienaren.(160)
فَإِنَّكُم وَما تَعبُدونَ(161)
Maar gij en de goden, welke gij aanbidt,(161)
ما أَنتُم عَلَيهِ بِفٰتِنينَ(162)
Zullen niemand nopens God verleiden.(162)
إِلّا مَن هُوَ صالِ الجَحيمِ(163)
Behalve hem die bestemd is om in de hel verbrand te worden.(163)
وَما مِنّا إِلّا لَهُ مَقامٌ مَعلومٌ(164)
Er is niemand van ons, of hij heeft een bestemde plaats.(164)
وَإِنّا لَنَحنُ الصّافّونَ(165)
Wij scharen ons in orde,(165)
وَإِنّا لَنَحنُ المُسَبِّحونَ(166)
Gods bevelen afwachtende, en wij verkondigen den goddelijken lof.(166)
وَإِن كانوا لَيَقولونَ(167)
De ongeloovigen zeiden:(167)
لَو أَنَّ عِندَنا ذِكرًا مِنَ الأَوَّلينَ(168)
Indien wij door een boek met goddelijke openbaringen waren begunstigd geworden, van diegene welke aan de ouden werden geschonken.(168)
لَكُنّا عِبادَ اللَّهِ المُخلَصينَ(169)
Zouden wij zeker oprechte dienaren Gods zijn geweest;(169)
فَكَفَروا بِهِ ۖ فَسَوفَ يَعلَمونَ(170)
Maar thans, nu de Koran is geopenbaard, gelooven zij daarin niet; doch hier namaals zullen zij het gevolg van hun ongeloof kennen.(170)
وَلَقَد سَبَقَت كَلِمَتُنا لِعِبادِنَا المُرسَلينَ(171)
Ons woord werd vroeger aan onze dienaren, de gezanten, gegeven.(171)
إِنَّهُم لَهُمُ المَنصورونَ(172)
Dat zij zekerlijk tegen de ongeloovigen zouden ondersteund worden,(172)
وَإِنَّ جُندَنا لَهُمُ الغٰلِبونَ(173)
En dat onze legers de overwinning zouden behalen.(173)
فَتَوَلَّ عَنهُم حَتّىٰ حينٍ(174)
Wend u dus gedurende eenen tijd van hen af.(174)
وَأَبصِرهُم فَسَوفَ يُبصِرونَ(175)
En zie de rampen die hen zullen bedroeven; want zij zullen uwe toekomstige overwinning en uwen voorspoed zien.(175)
أَفَبِعَذابِنا يَستَعجِلونَ(176)
Trachten zij daarom onze wraak te verhaasten?(176)
فَإِذا نَزَلَ بِساحَتِهِم فَساءَ صَباحُ المُنذَرينَ(177)
Waarlijk, wanneer die in hunne afgesloten hoven zal nederdalen, zal het een slechte ochtend zijn voor hen, die te vergeefs werden gewaarschuwd.(177)
وَتَوَلَّ عَنهُم حَتّىٰ حينٍ(178)
Wend u dus voor eenigen tijd van hen af.(178)
وَأَبصِر فَسَوفَ يُبصِرونَ(179)
Hierna zullen zij uwe overwinning en hunne straf ontwaren.(179)
سُبحٰنَ رَبِّكَ رَبِّ العِزَّةِ عَمّا يَصِفونَ(180)
Geloofd zij uw Heer, de Heer die verre verheven is boven hetgeen zij van hem verklaren!(180)
وَسَلٰمٌ عَلَى المُرسَلينَ(181)
Vrede zij op zijne gezanten.(181)
وَالحَمدُ لِلَّهِ رَبِّ العٰلَمينَ(182)
En geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!(182)