An-Najm( النجم)
Original,King Fahad Quran Complex(الأصلي,مجمع الملك فهد القرآن)
show/hide
Salomo Keyzer (Salomo Keyzer )
show/hide
بِسمِ اللَّهِ الرَّحمٰنِ الرَّحيمِ وَالنَّجمِ إِذا هَوىٰ(1)
Ik zweer bij de ster als zij ondergaat.(1)
ما ضَلَّ صاحِبُكُم وَما غَوىٰ(2)
Uw makker Mahomet dwaalt niet, en hij is niet afgeleid.(2)
وَما يَنطِقُ عَنِ الهَوىٰ(3)
Evenmin als hij door zijn eigen wil spreekt.(3)
إِن هُوَ إِلّا وَحىٌ يوحىٰ(4)
Het is niets anders dan eene openbaring die hem gedaan werd.(4)
عَلَّمَهُ شَديدُ القُوىٰ(5)
Een die machtig is in macht. Leerde het hem(5)
ذو مِرَّةٍ فَاستَوىٰ(6)
Een met verstand begaafd.(6)
وَهُوَ بِالأُفُقِ الأَعلىٰ(7)
En hij verscheen in het hoogste gedeelte van den gezichteinder.(7)
ثُمَّ دَنا فَتَدَلّىٰ(8)
Daarna naderde hij den profeet en kwam immer nader tot hem.(8)
فَكانَ قابَ قَوسَينِ أَو أَدنىٰ(9)
Tot hij op twee ellebogen afstands van hem, of nog nader was.(9)
فَأَوحىٰ إِلىٰ عَبدِهِ ما أَوحىٰ(10)
En hij openbaarde zijn dienaar, wat deze openbaarde.(10)
ما كَذَبَ الفُؤادُ ما رَأىٰ(11)
Het hart van Mahomet stelde datgene wat hij gezien had, niet valschelijk voor.(11)
أَفَتُمٰرونَهُ عَلىٰ ما يَرىٰ(12)
Wilt gij dus met hem twisten, nopens hetgeen hij zag?(12)
وَلَقَد رَءاهُ نَزلَةً أُخرىٰ(13)
Hij zag hem ook op een anderen tijd.(13)
عِندَ سِدرَةِ المُنتَهىٰ(14)
Bij den lotus-boom, naast welken geen doorgang is.(14)
عِندَها جَنَّةُ المَأوىٰ(15)
Het is nabij den tuin van eeuwig verblijf.(15)
إِذ يَغشَى السِّدرَةَ ما يَغشىٰ(16)
Toen de lotus-boom bedekte, datgene wat bedekt is.(16)
ما زاغَ البَصَرُ وَما طَغىٰ(17)
Wendde zijn oog zich niet af, en dwaalde evenmin.(17)
لَقَد رَأىٰ مِن ءايٰتِ رَبِّهِ الكُبرىٰ(18)
En hij aanschouwde werkelijk sommige der grootste teekenen van zijn Heer.(18)
أَفَرَءَيتُمُ اللّٰتَ وَالعُزّىٰ(19)
Wat denkt gij van El-Lat, en al Ozza.(19)
وَمَنوٰةَ الثّالِثَةَ الأُخرىٰ(20)
En Menat, die andere, derde godin?.(20)
أَلَكُمُ الذَّكَرُ وَلَهُ الأُنثىٰ(21)
Hebt gij mannelijke kinderen, en God vrouwelijke?.(21)
تِلكَ إِذًا قِسمَةٌ ضيزىٰ(22)
Dit is dan eene onrechtvaardige verdeeling.(22)
إِن هِىَ إِلّا أَسماءٌ سَمَّيتُموها أَنتُم وَءاباؤُكُم ما أَنزَلَ اللَّهُ بِها مِن سُلطٰنٍ ۚ إِن يَتَّبِعونَ إِلَّا الظَّنَّ وَما تَهوَى الأَنفُسُ ۖ وَلَقَد جاءَهُم مِن رَبِّهِمُ الهُدىٰ(23)
Het zijn slechts ijdele namen, welke gij en uwe vaderen godheden hebt genoemd. God heeft nopens hen niets geopenbaard, wat hunne vereering wettigt. Zij volgen slechts eene ijdele meening en wat hunne zielen begeeren; en toch is de ware richting van hunnen Heer tot hen gekomen.(23)
أَم لِلإِنسٰنِ ما تَمَنّىٰ(24)
Zal de mensch alles hebben, waarnaar hij wenscht?(24)
فَلِلَّهِ الءاخِرَةُ وَالأولىٰ(25)
Dit en het volgende leven zijn Gods eigendom.(25)
۞ وَكَم مِن مَلَكٍ فِى السَّمٰوٰتِ لا تُغنى شَفٰعَتُهُم شَيـًٔا إِلّا مِن بَعدِ أَن يَأذَنَ اللَّهُ لِمَن يَشاءُ وَيَرضىٰ(26)
En hoeveel engelen er ook in den hemel mogen zijn, hunne tusschenkomst zal niets baten. Tot God verlof zal hebben verleend, aan wien hem zal behagen, en zich zijner zal aannemen.(26)
إِنَّ الَّذينَ لا يُؤمِنونَ بِالءاخِرَةِ لَيُسَمّونَ المَلٰئِكَةَ تَسمِيَةَ الأُنثىٰ(27)
Waarlijk, zij die niet in het volgende leven gelooven, beweren dat de engelen vrouwen zijn.(27)
وَما لَهُم بِهِ مِن عِلمٍ ۖ إِن يَتَّبِعونَ إِلَّا الظَّنَّ ۖ وَإِنَّ الظَّنَّ لا يُغنى مِنَ الحَقِّ شَيـًٔا(28)
Doch zij hebben geene kennis daarvan; zij volgen slechts eene bloote meening; en eene bloote meening vervangt geen ding van waarheid.(28)
فَأَعرِض عَن مَن تَوَلّىٰ عَن ذِكرِنا وَلَم يُرِد إِلَّا الحَيوٰةَ الدُّنيا(29)
Wend u dus van hem af, die zich van onze vermaningen afwendt, en alleen naar het tegenwoordige leven haakt.(29)
ذٰلِكَ مَبلَغُهُم مِنَ العِلمِ ۚ إِنَّ رَبَّكَ هُوَ أَعلَمُ بِمَن ضَلَّ عَن سَبيلِهِ وَهُوَ أَعلَمُ بِمَنِ اهتَدىٰ(30)
Dit is hunne hoogste trap van kennis. Waarlijk, uw Heer kent hem wel, die van zijnen weg afdwaalt, en hij kent dengeen wel, die op den rechten weg is geleid.(30)
وَلِلَّهِ ما فِى السَّمٰوٰتِ وَما فِى الأَرضِ لِيَجزِىَ الَّذينَ أَسٰـٔوا بِما عَمِلوا وَيَجزِىَ الَّذينَ أَحسَنوا بِالحُسنَى(31)
Aan God behoort alles, wat zich in den hemel en op de aarde bevindt; hij zal hen vergelden die kwaad verrichten, overeenkomstig datgene wat zij zullen hebben bedreven, en hij zal hen beloonen die goed doen, met de uitmuntendste belooning.(31)
الَّذينَ يَجتَنِبونَ كَبٰئِرَ الإِثمِ وَالفَوٰحِشَ إِلَّا اللَّمَمَ ۚ إِنَّ رَبَّكَ وٰسِعُ المَغفِرَةِ ۚ هُوَ أَعلَمُ بِكُم إِذ أَنشَأَكُم مِنَ الأَرضِ وَإِذ أَنتُم أَجِنَّةٌ فى بُطونِ أُمَّهٰتِكُم ۖ فَلا تُزَكّوا أَنفُسَكُم ۖ هُوَ أَعلَمُ بِمَنِ اتَّقىٰ(32)
Wat hen betreft, die groote misdaden en hatelijke zonden vermijden en alleen lichtere feilen begaan, waarlijk, hun Heer zal hun ruime genade verleenen. Hij kende u wel, toen hij u uit de aarde voortbracht, en toen gij vruchten in uw moeders schoot waart. Rechtvaardigt u zelven dus niet; hij kent het best den mensch die hem vreest.(32)
أَفَرَءَيتَ الَّذى تَوَلّىٰ(33)
Wat denkt gij van hem, die zich van den weg der waarheid afwendt.(33)
وَأَعطىٰ قَليلًا وَأَكدىٰ(34)
En weinig geeft en begeerlijk zijne hand ophoudt?(34)
أَعِندَهُ عِلمُ الغَيبِ فَهُوَ يَرىٰ(35)
Is de kennis der toekomst met hem, zoodra hij die ziet?(35)
أَم لَم يُنَبَّأ بِما فى صُحُفِ موسىٰ(36)
Is hij niet onderricht van datgene, wat in de boeken van Mozes is bevat.(36)
وَإِبرٰهيمَ الَّذى وَفّىٰ(37)
En van Abraham, die zijn verbintenissen godvruchtig volbracht?(37)
أَلّا تَزِرُ وازِرَةٌ وِزرَ أُخرىٰ(38)
Te weten: dat eene belaste ziel niet den last van eene andere zal dragen.(38)
وَأَن لَيسَ لِلإِنسٰنِ إِلّا ما سَعىٰ(39)
En dat den mensch, die rechtvaardig is, niets zal worden opgelegd, behalve zijn eigen arbeid.(39)
وَأَنَّ سَعيَهُ سَوفَ يُرىٰ(40)
Dat zijn arbeid hiernamaals zekerlijk naar waarde zal worden geschat.(40)
ثُمَّ يُجزىٰهُ الجَزاءَ الأَوفىٰ(41)
En dat hij daarvoor met de meest overvloedige belooning zal worden beschonken.(41)
وَأَنَّ إِلىٰ رَبِّكَ المُنتَهىٰ(42)
Dat het einde van alle dingen bij den Heer zal wezen.(42)
وَأَنَّهُ هُوَ أَضحَكَ وَأَبكىٰ(43)
Dat hij doet lachen en doet weenen.(43)
وَأَنَّهُ هُوَ أَماتَ وَأَحيا(44)
Dat hij dood en leven geeft.(44)
وَأَنَّهُ خَلَقَ الزَّوجَينِ الذَّكَرَ وَالأُنثىٰ(45)
Dat hij de beide kunnen: de mannelijke en de vrouwelijke, schiep.(45)
مِن نُطفَةٍ إِذا تُمنىٰ(46)
Van zaad als het uitgeworpen is.(46)
وَأَنَّ عَلَيهِ النَّشأَةَ الأُخرىٰ(47)
Dat hem eene andere voortbrenging behoort, namelijk de wederopwekking hiernamaals, van den dood ten leven.(47)
وَأَنَّهُ هُوَ أَغنىٰ وَأَقنىٰ(48)
En dat hij verrijkt, en bezittingen doet verkrijgen.(48)
وَأَنَّهُ هُوَ رَبُّ الشِّعرىٰ(49)
Dat hij den Heer van het hondsgesternte is.(49)
وَأَنَّهُ أَهلَكَ عادًا الأولىٰ(50)
Dat hij den ouden stam van Ad verwoestte.(50)
وَثَمودَا۟ فَما أَبقىٰ(51)
En Thamoed; en niet een van hen liet leven.(51)
وَقَومَ نوحٍ مِن قَبلُ ۖ إِنَّهُم كانوا هُم أَظلَمَ وَأَطغىٰ(52)
Als ook het volk van Noach, vóór hen: want zij waren ten hoogste onrechtvaardig en zondig.(52)
وَالمُؤتَفِكَةَ أَهوىٰ(53)
En de straf des hemels bedekte haar.(53)
فَغَشّىٰها ما غَشّىٰ(54)
En de omvergeworpen steden, heeft hij ten onderst boven gekeerd.(54)
فَبِأَىِّ ءالاءِ رَبِّكَ تَتَمارىٰ(55)
Welke der voordeelen van uwen Heer, o mensch! zult gij in twijfel trekken?(55)
هٰذا نَذيرٌ مِنَ النُّذُرِ الأولىٰ(56)
Deze gezant is een prediker, evenals de predikers, die hem voorafgingen.(56)
أَزِفَتِ الءازِفَةُ(57)
De dag des oordeels komt nader;(57)
لَيسَ لَها مِن دونِ اللَّهِ كاشِفَةٌ(58)
Er is niemand, die daarvan den juisten tijd kan bepalen, behalve God.(58)
أَفَمِن هٰذَا الحَديثِ تَعجَبونَ(59)
Verwondert gij u dus over deze nieuwe openbaring?(59)
وَتَضحَكونَ وَلا تَبكونَ(60)
En lacht gij, in plaats van te weenen?(60)
وَأَنتُم سٰمِدونَ(61)
Terwijl gij uw tijd in ijdele uitspanningen doorbrengt.(61)
فَاسجُدوا لِلَّهِ وَاعبُدوا ۩(62)
Vereert veeleer God en dient hem.(62)