Al-Fajr( الفجر)
Original,King Fahad Quran Complex(الأصلي,مجمع الملك فهد القرآن)
show/hide
Salomo Keyzer (Salomo Keyzer )
show/hide
بِسمِ اللَّهِ الرَّحمٰنِ الرَّحيمِ وَالفَجرِ(1)
Ik zweer bij het aanbreken van den dag(1)
وَلَيالٍ عَشرٍ(2)
En de tien nachten;(2)
وَالشَّفعِ وَالوَترِ(3)
Bij datgene wat dubbel, en dat wat enkel is,(3)
وَالَّيلِ إِذا يَسرِ(4)
Bij den nacht als die aanbreekt.(4)
هَل فى ذٰلِكَ قَسَمٌ لِذى حِجرٍ(5)
Is dit niet een begrijpelijk samengestelde eed?(5)
أَلَم تَرَ كَيفَ فَعَلَ رَبُّكَ بِعادٍ(6)
Hebt gij niet overwogen, hoe uw Heer met Ad heeft gehandeld.(6)
إِرَمَ ذاتِ العِمادِ(7)
Het volk van Irem, versierd met schoone gebouwen,(7)
الَّتى لَم يُخلَق مِثلُها فِى البِلٰدِ(8)
Waarvan de wedergade nog niet in het land werd opgericht?(8)
وَثَمودَ الَّذينَ جابُوا الصَّخرَ بِالوادِ(9)
En met Thamoed, die in de rotsen der vallei huizen uithieuw.(9)
وَفِرعَونَ ذِى الأَوتادِ(10)
En met Pharao, den uitvinder van de straf der staken.(10)
الَّذينَ طَغَوا فِى البِلٰدِ(11)
Die zich onbeschaamd hadden gedragen.(11)
فَأَكثَروا فيهَا الفَسادَ(12)
En het verderf op de aarde vermeerderden?(12)
فَصَبَّ عَلَيهِم رَبُّكَ سَوطَ عَذابٍ(13)
Daarom stortte de Heer verschillende soorten van kastijdingen over hen uit;(13)
إِنَّ رَبَّكَ لَبِالمِرصادِ(14)
Want, waarlijk, uw Heer is op een wachttoren, als hij de daden der menschen beschouwt.(14)
فَأَمَّا الإِنسٰنُ إِذا مَا ابتَلىٰهُ رَبُّهُ فَأَكرَمَهُ وَنَعَّمَهُ فَيَقولُ رَبّى أَكرَمَنِ(15)
Daarom als zijn Heer hem (door voorspoed) beproeft, en hem eert en goed voor hem is. Zegt de mensch: Mijn Heer eert mij.(15)
وَأَمّا إِذا مَا ابتَلىٰهُ فَقَدَرَ عَلَيهِ رِزقَهُ فَيَقولُ رَبّى أَهٰنَنِ(16)
Maar als hij hem met rampen bezoekt, en hem zijne weldaden terughoudt, Zegt hij: Mijn Heer versmaadt mij.(16)
كَلّا ۖ بَل لا تُكرِمونَ اليَتيمَ(17)
Volstrekt niet, maar gij eert den wees niet.(17)
وَلا تَحٰضّونَ عَلىٰ طَعامِ المِسكينِ(18)
Noch noodigt gij elkander uit, den arme te voeden.(18)
وَتَأكُلونَ التُّراثَ أَكلًا لَمًّا(19)
Gij verzwelgt de erfenis der zwakken met eene blinde begeerigheid.(19)
وَتُحِبّونَ المالَ حُبًّا جَمًّا(20)
En gij bemint de rijkdommen op onbegrensde wijze. (Gij zult volstrekt niet zoo handelen).(20)
كَلّا إِذا دُكَّتِ الأَرضُ دَكًّا دَكًّا(21)
Als de aarde tot stof zal vermorzeld worden;(21)
وَجاءَ رَبُّكَ وَالمَلَكُ صَفًّا صَفًّا(22)
Als uw Heer zal komen, en de engelen in gelederen geschaard zullen zijn;(22)
وَجِا۟يءَ يَومَئِذٍ بِجَهَنَّمَ ۚ يَومَئِذٍ يَتَذَكَّرُ الإِنسٰنُ وَأَنّىٰ لَهُ الذِّكرىٰ(23)
Als de hel op dien dag naderbij gebracht zal worden: op dien dag zal de mensch zich zijne slechte daden herinneren; maar hoe zou die herinnering hem kunnen baten?(23)
يَقولُ يٰلَيتَنى قَدَّمتُ لِحَياتى(24)
Hij zal zeggen: Gave God, dat ik vroeger gedurende mijn leeftijd goede daden had verricht!(24)
فَيَومَئِذٍ لا يُعَذِّبُ عَذابَهُ أَحَدٌ(25)
Op dien dag zal niemand zooals God kunnen straffen.(25)
وَلا يوثِقُ وَثاقَهُ أَحَدٌ(26)
Noch iemand in staat zijn te binden zoo als God.(26)
يٰأَيَّتُهَا النَّفسُ المُطمَئِنَّةُ(27)
O gij, ziel die rust!(27)
ارجِعى إِلىٰ رَبِّكِ راضِيَةً مَرضِيَّةً(28)
Keer, voldaan met uwe belooning, en voldaan met God, tot uwen Heer terug.(28)
فَادخُلى فى عِبٰدى(29)
Treed bij het aantal mijner dienaren binnen.(29)
وَادخُلى جَنَّتى(30)
En betreed mijn paradijs.(30)